Inhoudelijk puntsgewijs commentaar op het artikel van Patricia Bruijning Verhagen over het ter beschikking stellen van vaccinaties bij COVID-19  voor  kinderen tussen de 6 en de 12 jaar. 

1

Patricia Bruijning Verhagen :“Er zijn inmiddels een Franse en een Amerikaanse studie die bij tieners een verlaagd risico op MIS-C laten zien na coronavaccinatie met een reductie van zo’n 90%.”

De aangehaalde onderzoeken gaan over een oudere leeftijdsgroep (13 tot 18) dan de groep waar nu het vaccin aan ter beschikking wordt gesteld. Het is de vraag of extrapoleren hier wel mag.

Statistisch is het lastig omdat de frequentie van MIS-C in deze groep zo ie zo laag is. 

De formulering dat de vaccinatie beschermt tegen MIS-C is onjuist. Als de vaccinatie al ergens tegen beschermt, dan is dat tegen het ERNSTIG ziek worden van COVID-19 zoals dat dan afgelezen wordt aan het verminderen van het aantal (ic)opnames. 

Er zou dus een rechtvaardiging kunnen zijn te stellen dat vaccinatie niet rechtstreeks beschermt tegen MIS-C maar enkel indirect, omdat vaccineren de totale frequentie van COVID-19 gevallen verlaagd.  

Veel belangrijker, en wetenschappelijk interessanter, MIS-C komt juist veel vaker voor terwijl er slechts weinig tot geen ziekteverschijnselen waren van COVID-9. 

 Zie COPP studie , https://covidkids.nl/scientific-dashboard/

Omerking

Ik heb grote bezwaren tegen de term “covidkids”. Dit roept een associatie op van een of andere leuke sportvereniging en dat is het echt helemaal niet. Treurig dat een ernstig medisch probleem eufemistisch met een of andere Fancy English Expression wordt weergegeven

 

Ouders zitten dus met het probleem dat ze enerzijds weten dat de COVID-19 heel erg mild kan verlopen, wat dan géén reden is tot vaccineren, maar dat milde verloop juist geen garantie is om geen MIS-C te krijgen, wat een reden zou kunnen zijn om wél te vaccineren.  

2

Dat we ‘long covid’ in stelling  moeten brengen om te motiveren om toch maar te vaccineren, lees ik niet uit het stuk van Patricia Bruijning, waar ik me bij aansluit. 

De studies over ‘long covid’ kennen 3 problemen.

Op de eerste plaats hebben we geen duidelijk definitie voor ‘long covid’ wat het heel hachelijk maakt om onderzoeksresultaten te vergelijken.

 Op de tweede plaats is het percentage van kinderen dat ‘long covid’ krijgt moeilijk vast te stellen omdat we niet goed weten hoeveel kinderen ‘long covid’ gehad hebben. Als we het totaal aantal kinderen niet weten, kunnen we dus ook nooit een percentage aangeven wat mogelijk na COVID-19 infectie de kans heeft langdurig klachten over te houden. 

Ouders kunnen dus niet een keuze baseren op “de kans dat mijn kind ‘long covid’ krijgt “.

Op de derde plaats blijkt dat we dus mogelijk 2 langdurige restverschijnsel  aan het doormaken van de COVID-19 kunnen toeschrijven, terwijl een aantal andere, aan ‘long covid’ toegeschreven klachten niet specifiek genoeg blijken te zijn.

Het interessante is natuurlijk dat 92% geen reuk verlies heeft en 97% geen cognitieve symptomen. Eenzijdig de oorzaak te leggen bij het virus is om die reden weinig rationeel, er moeten persoonsgebonden kenmerken een rol spelen. Enkel je bezighouden met turven hoe vaak iets voorkomt is niet echt wat je verwacht van universitair wetenschappelijk onderzoek en levert ouders geen inzicht die een keuze zou kunnen ondersteunen. 

De  opdracht die voorligt is onderzoek te doen , bij die kinderen die deze symptomen hebben, naar wat predisponerende  factoren zijn. En of we preventief kunnen behandelen.

 

Een klein voorzetje. Covid-19 telt de meeste problemen boven de 60.  Er is elders geopperd op basis van wetenschappelijke studies dat zink suppletie bij de weerstand (bij infecties zoals COVID -19) een belangrijke rol zou kunnen spelen. Zink-tekort is ook nog eens geassocieerd met smaak en reuk verlies. Wordt in het COPP onderzoek of bij de ‘long covid’ studies zink bepaald?  

https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/27178656/

Kijk even naar het risicoprofiel (leeftijd, geslacht) bij covid-19 infecties en de ‘long covid‘ gerelateerde klachten  https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/27178656/

 

According to the National Health and Nutrition Examination Survey III, 35% to 45% of adults 60 years of age or older had zinc intakes below the estimated average requirement of 6.8 mg/day for elderly females and 9.4 mg/day for elderly males. 

Zinc deficiency may lead to loss of appetite, impaired immune function, weight loss, delayed healing of wounds, eye and skin lesions, and smell and taste disturbances.

 

Over de term "long covid"

Ik hecht eraan hierbij te schrijven dat ik de term long COVID op zichzelf een onjuiste term vind. Het probleem van de COVID-19 infectie lost zelf zoals bijna iedere virusinfectie na kortere tijd op. Door iets “long” te noemen leg je de associatie met een langdurige aanwezig zijn van een virusinfectie in het lichaam. Dit is apert onjuist. Het zou beter zijn om te spreken van een post COVID syndroom. Dat past dan in het begrip “post viraal syndroom” bestaat een diagnose die in de  complementaire geneeskunde meer ingang heeft gevonden dan in de universitaire, maar,  kom aan,  we zijn nooit te oud om te leren

3

 Ik zie geen onderbouwing in het schrijven dat vaccinatie de kans op ernstige COVID -19 reduceert met 90%.  Is dit een citaat uit het onderzoek van de farma die zijn eigen product onderzoekt???? 

Graag verwijzingen naar meerdere RCT’s  gedaan door onafhankelijke onderzoekers bij verschillende groepen. 

Het is mij volstrekt onduidelijk waarom dit soort basisregels ,voor je besluit iets te implementeren, bij de corona vaccinatie-campagne zelden toegepast worden.

Informatie geven aan patiënten doe je liefst op basis van objectieve gegevens

6.

 En wat moeten we met het gegeven dat 2/3 van de kinderen al COVID-19 heeft gehad?

Een buitengewoon ingewikkeld en moeilijk onderwerp, waar we graag de voorspellende waarde van hadden willen weten. Dat we daarover ook na bloedonderzoek van het kind  geen uitsluitsel  kunnen geven. Als het voor artsen al onduidelijk is, lijkt het me logisch dat ouders daar ook alleen maar meer door in verwarring raken.